Uitspraak
wonende te [woonplaats],
wonende te [woonplaats],
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel in het principale beroep
4.Beoordeling van het middel in het incidentele beroep
5.Beslissing
11 november 2022.
Hoge Raad
Partijen zijn in 2002 gehuwd onder huwelijkse voorwaarden waarin gemeenschap van goederen is uitgesloten, maar met een finale verrekening alsof zij in gemeenschap van goederen gehuwd waren bij ontbinding van het huwelijk.
Sinds 1 maart 2018 wonen partijen apart; de man in de echtelijke woning en de vrouw in een huurwoning. Na het verzoek tot echtscheiding in december 2019 heeft de rechtbank verzoeken tot afwikkeling van huwelijkse voorwaarden en verkoop van de woning afgewezen. Het hof vernietigde dit en bepaalde dat woonlasten vanaf 1 januari 2020 voor rekening van de man komen, met uitzondering van hypotheekaflossingen die verrekend moeten worden.
De vrouw stelde dat het hof ook woonlasten van 1 maart 2018 tot 1 januari 2020 aan de man toerekende, wat volgens haar onjuist was. De Hoge Raad oordeelde dat de afrekening tot 1 januari 2020 beheerst wordt door het finale verrekenbeding, alsof partijen in gemeenschap van goederen gehuwd waren, en verwerpt het cassatieberoep van beide partijen.
De Hoge Raad bevestigt hiermee de uitleg van het hof en sluit klachten af die daarvan afwijken. De uitspraak benadrukt de praktische toepassing van het finale verrekenbeding en de redelijke verdeling van woonlasten na scheiding.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat de woonlasten vanaf 1 januari 2020 voor rekening van de man komen, behoudens hypotheekaflossingen die verrekend moeten worden.