ECLI:NL:HR:2022:1638

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 november 2022
Publicatiedatum
10 november 2022
Zaaknummer
20/04320
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Wet milieugevaarlijke stoffenArt. 9.2.2.1 Wet milieubeheerArt. 225.1 SrArt. 225.2 SrArt. 420ter.1 Sr
Verwijzingen
10 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatie tegen arrest hof over medeplegen illegaal vuurwerk en valsheid in geschrift

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van het niet melden van vuurwerktransporten, het binnen Nederland brengen en voorhanden hebben van vuurwerk dat niet aan wettelijke eisen voldoet, medeplegen van valsheid in geschrift, gewoontewitwassen en deelname aan een criminele organisatie.

De Hoge Raad heeft het beroep van verdachte beoordeeld en geconcludeerd dat de klachten over het hofarrest niet leiden tot vernietiging. Onder meer werden vragen over bewijsvoering, opzet, toepassing van gewijzigde wetgeving, en de strafmotivering overwogen. Het hof had onder andere geoordeeld over het ontbreken van gunstiger toepassing van gewijzigde wetgeving en de strafmotivering met betrekking tot het vermoeden van strafbaarheid.

De Hoge Raad achtte het niet nodig om inhoudelijk op alle klachten in te gaan, omdat deze geen belang hadden voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Ook werd een onvolkomenheid bij beëdiging van raadsheren en de advocaat-generaal niet verder besproken vanwege een eerder arrest.

Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft. De strafrechtelijke veroordeling van verdachte voor de genoemde feiten wordt daarmee definitief bevestigd.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor medeplegen van diverse strafbare feiten rondom illegaal vuurwerk en valsheid in geschrift.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/04320 E
Datum15 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, economische kamer, van 10 december 2020, nummer 20-001907-13, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schrifturen zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
De raadsvrouw heeft – na het verstrijken van de in artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn – bij aanvullende schriftuur nog aan de orde gesteld dat bij de beëdiging van één of meerdere raadsheren die de bestreden uitspraak hebben gewezen en de beëdiging van de advocaat-generaal die bij de behandeling van de zaak in hoger beroep betrokken is geweest, zich een onvolkomenheid heeft voorgedaan. Gelet op het arrest dat de Hoge Raad op 21 oktober 2022, ECLI:NL:HR:2022:1438 heeft gewezen, behoeft dat geen verdere bespreking.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft bij conclusie en aanvullende conclusie geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en A.L.J. van Strien, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 november 2022.