De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor het verlaten van de plaats van een verkeersongeval op 10 maart 2018. De benadeelde partij vorderde schadevergoeding voor materiële schade aan zijn auto en bijkomende kosten.
Het hof stelde vast dat verdachte tijdens het passeren van een andere auto tegen de geparkeerde Volkswagen Golf van de benadeelde partij botste en vervolgens de plaats van het ongeval verliet, terwijl hij wist dat schade was toegebracht. De vordering van de benadeelde partij werd toegewezen tot een bedrag van ruim €5.165, inclusief autoschade, parkeerboete, leenautokosten en taxikosten.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte de schade als rechtstreekse schade had aangemerkt en dat er geen voldoende causaal verband bestond tussen het bewezen handelen en de schade. De Hoge Raad herhaalde de relevante jurisprudentie over rechtstreekse schade en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had gehanteerd en het causaal verband terecht aannam.
Het cassatieberoep faalde en de Hoge Raad bevestigde de toewijzing van de schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel. Hiermee is de aansprakelijkheid van de verdachte voor de door de benadeelde partij geleden schade definitief vastgesteld.