ECLI:NL:HR:2022:167

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 februari 2022
Publicatiedatum
10 februari 2022
Zaaknummer
21/00039
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41, lid 3, AwbArt. 81, lid 1, Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen samenhangende besluiten bij naheffingsaanslagen dividendbelasting

Belanghebbende, een B.V., stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag over naheffingsaanslagen dividendbelasting en heffingsrente over de jaren 2011 tot en met 2014. De Hoge Raad heeft de ingebrachte middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit niet nader, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling.

Belanghebbende voerde aan dat de griffier ten onrechte voor drie samenhangende zaken afzonderlijk griffierecht had geheven, en dat het teveel betaalde griffierecht gerestitueerd moest worden. De Hoge Raad verwierp dit betoog omdat de aanslagen niet zodanig nauw met elkaar verbonden zijn dat sprake is van samenhangende besluiten in de zin van artikel 8:41, lid 3, Awb.

Daarnaast stelde belanghebbende dat de griffier het beroep op betalingsonmacht ten onrechte had afgewezen. De Hoge Raad oordeelde dat belanghebbende niet had aangetoond dat zij en haar betrokken natuurlijke personen niet in staat waren het griffierecht te voldoen. Daarom is geen restitutie van het griffierecht toegekend.

De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Het arrest werd gewezen door vice-president R.J. Koopman en raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage op 11 februari 2022.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het griffierecht is terecht per zaak geheven zonder restitutie.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/00039
Datum11 februari 2022
ARREST
in de zaak van
[X] B.V. te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 1 december 2020, nrs. BK-19/00489 tot en met BK-19/00492 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 18/4024, SGR 18/4025, SGR 18/4027 en SGR 18/4029) betreffende aan belanghebbende over de jaren 2011 tot en met 2014 opgelegde naheffingsaanslagen in de dividendbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake heffings- en belastingrente.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door F. Jagersma, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal middelen voorgesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de middelen

De Hoge Raad heeft de middelen over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze middelen niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze middelen is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Griffierecht

3.1
Belanghebbende klaagt erover dat de griffier van de Hoge Raad van haar een te hoog bedrag aan griffierecht heeft geheven. De zaken met nummers 21/00039, 21/00040 en 21/00041 betreffen volgens belanghebbende samenhangende besluiten in de zin van artikel 8:41, lid 3, Awb. Daarom heeft de griffier volgens belanghebbende ten onrechte voor elke zaak afzonderlijk griffierecht geheven en moeten de door belanghebbende onder protest te veel betaalde bedragen worden gerestitueerd.
Dit betoog moet worden verworpen. De belastingaanslagen die in deze drie zaken aan de orde zijn, staan met betrekking tot de relevante feiten en omstandigheden niet in een zodanig nauw verband tot elkaar dat kan worden gezegd dat die belastingaanslagen samenhangende besluiten zijn in de zin van de hiervoor genoemde wetsbepaling.
3.2
Belanghebbende betoogt verder dat de griffier van de Hoge Raad haar beroep op betalingsonmacht had moeten toewijzen en dat hij ten onrechte de heffing van het griffierecht heeft voortgezet. Het griffierecht dat de gemachtigde van belanghebbende voor haar heeft betaald, moet daarom volgens belanghebbende worden gerestitueerd.
Dit betoog faalt reeds omdat belanghebbende, na daartoe in de gelegenheid te zijn gesteld, niet heeft aangetoond dat zijzelf en de rechtstreeks bij haar betrokken natuurlijke personen niet in staat zijn het griffierecht te voldoen.
3.3
Gelet op dit een en ander ziet de Hoge Raad in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd geen aanleiding het betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk te restitueren.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2022.