ECLI:NL:HR:2022:167
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen samenhangende besluiten bij naheffingsaanslagen dividendbelasting
Belanghebbende, een B.V., stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Den Haag over naheffingsaanslagen dividendbelasting en heffingsrente over de jaren 2011 tot en met 2014. De Hoge Raad heeft de ingebrachte middelen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad motiveert dit niet nader, omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling.
Belanghebbende voerde aan dat de griffier ten onrechte voor drie samenhangende zaken afzonderlijk griffierecht had geheven, en dat het teveel betaalde griffierecht gerestitueerd moest worden. De Hoge Raad verwierp dit betoog omdat de aanslagen niet zodanig nauw met elkaar verbonden zijn dat sprake is van samenhangende besluiten in de zin van artikel 8:41, lid 3, Awb.
Daarnaast stelde belanghebbende dat de griffier het beroep op betalingsonmacht ten onrechte had afgewezen. De Hoge Raad oordeelde dat belanghebbende niet had aangetoond dat zij en haar betrokken natuurlijke personen niet in staat waren het griffierecht te voldoen. Daarom is geen restitutie van het griffierecht toegekend.
De Hoge Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaarde het cassatieberoep ongegrond. Het arrest werd gewezen door vice-president R.J. Koopman en raadsheren J. Wortel en M.T. Boerlage op 11 februari 2022.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het griffierecht is terecht per zaak geheven zonder restitutie.