ECLI:NL:HR:2022:168
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond in loonheffingenzaak
Belanghebbende, woonachtig te [Z], was in beroep gegaan tegen een naheffingsaanslag loonheffingen over de periode van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2017. De Rechtbank Zeeland-West-Brabant had eerder uitspraak gedaan, waarna belanghebbende hoger beroep instelde bij het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.
Het hof handhaafde de naheffingsaanslag en wees het hoger beroep af. Belanghebbende stelde vervolgens cassatieberoep in bij de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft de ingediende middelen beoordeeld maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden.
De Hoge Raad motiveert zijn oordeel niet inhoudelijk omdat de zaak geen vragen van belang voor de rechtsontwikkeling of rechtsvorming bevat, conform artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie. Tevens ziet de Hoge Raad geen aanleiding om proceskosten aan belanghebbende toe te kennen.
Het arrest is op 11 februari 2022 in het openbaar uitgesproken door de raadsheren Beukers-van Dooren (voorzitter), Boerlage en Cools.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het hofarrest blijft in stand.