Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
15 november 2022.
Hoge Raad
De betrokkene werd in hoger beroep geconfronteerd met een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, specifiek verband houdend met opbrengsten uit hennepteelt. Hoewel hij in de strafzaak was veroordeeld voor het aanwezig hebben van hennepplanten, werd hij vrijgesproken van het telen van hennep. De vraag was of er voldoende aanwijzingen waren dat hij voordeel had verkregen uit de hennepteelt, zoals vereist onder artikel 36e lid 2 Sr.
In cassatie stelde de betrokkene dat de ontnemingsvordering niet ontvankelijk moest worden verklaard of afgewezen, omdat de bewijsvoering onvoldoende was. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet noodzakelijk was om de motivering nader toe te lichten, mede gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, waarbij het beroep werd verworpen. Hiermee blijft het hofarrest van 11 juni 2021 in stand, dat de ontnemingsvordering bevestigt ondanks de vrijspraak voor het telen van hennep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsvordering uit wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt blijft gehandhaafd.