ECLI:NL:HR:2022:1707

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 december 2022
Publicatiedatum
18 november 2022
Zaaknummer
21/04880
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.3 lid 3 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling vermogenssanctie en rendementsgrondslag in Box 3 bij conservatoir beslag

Belanghebbende was in geschil met de Belastingdienst over de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (Box 3) voor de jaren 2014 tot en met 2019. Hierbij speelde de vraag of bij de rendementsgrondslag rekening mocht worden gehouden met een conservatoir verhaalsbeslag op in Zwitserland gehouden banktegoeden, dat verband hield met een mogelijke vermogenssanctie of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat op de relevante peildata geen sprake was van een verplichting die een waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigde, en dat de Inspecteur daarom terecht geen rekening hield met een schuld in verband met het beslag. Belanghebbende stelde in cassatie dat reeds door het begaan van de strafbare gedraging een verplichting tot betaling van een vermogenssanctie ontstaat, verwijzend naar een arrest uit 1952.

De Hoge Raad overwoog dat het arrest uit 1952 betrekking had op nog niet vaststaande geldstraffen en dat voor de toepassing van de Wet IB 2001 een vermogenssanctie of maatregel tot ontneming pas als schuld kan worden meegenomen wanneer deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. Het oordeel van het Hof dat op de peildata geen verplichting met economische waarde bestond, werd bevestigd. Het middel faalde en het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.

De Hoge Raad veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten en sprak het arrest uit op 2 december 2022.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
BELASTINGKAMER
Nummer21/04880
Datum2 december 2022
ARREST
in de zaak van
[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)
tegen
de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN
op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 oktober 2021, nrs. 20/00823 tot en met 20/00828 [1] , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 19/3871, LEE 20/529 en LEE 20/530) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2014 en 2015 opgelegde aanslagen en voor de jaren 2016 tot en met 2019 opgelegde voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.

1.Geding in cassatie

Belanghebbende, vertegenwoordigd door N. van den Hoek, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft een verweerschrift ingediend.

2.Uitgangspunten in cassatie

2.1
Aan belanghebbende zijn voor de jaren 2014 en 2015 aanslagen, en zijn voor de jaren 2016 tot en met 2019 voorlopige aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd. Daarbij is telkens een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen in aanmerking genomen.
2.2
Tot de rendementsgrondslag sparen en beleggen behoorden diverse in Zwitserland gehouden banktegoeden.
2.3
Op of omstreeks 16 mei 2014 is op vordering van de officier van justitie conservatoir verhaalsbeslag gelegd op die Zwitserse banktegoeden.
2.4
Voor het Hof was in geschil of de Inspecteur bij de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen terecht geen rekening heeft gehouden met een aan het hiervoor vermelde verhaalsbeslag ten grondslag liggende vordering en deze terecht niet als schuld (verplichting) in aanmerking heeft genomen.
2.5
Het Hof heeft deze vragen bevestigend beantwoord. Daartoe heeft het overwogen – samengevat – dat op de relevante peildata geen sprake was van een verplichting waaraan een waarde in het economisch verkeer kan worden toegekend.

3.Beoordeling van het middel

3.1
Het middel bestrijdt dit oordeel met de stelling dat uit het arrest van de Hoge Raad van 19 november 1952 [2] volgt dat reeds door het begaan van de strafbare gedraging een rechtsverhouding ontstaat die de verplichting meebrengt tot voldoening aan een vermogenssanctie of tot afdracht van vermogen in de vorm van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
3.2
Het in het middel genoemde arrest had betrekking op nog niet vaststaande betalingsverplichtingen, in de vorm van naar verwachting op te leggen geldstraffen, die volgens de toen geldende wettelijke bepalingen door hun voorzienbaarheid in mindering mochten worden gebracht op de belastbare winst.
3.3
Voor het met toepassing van Hoofdstuk 5 van de Wet IB 2001 bepalen van de rendementsgrondslag kan een vermogenssanctie of een maatregel ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel pas in aanmerking worden genomen als een schuld in de zin van artikel 5.3, lid 3, Wet IB 2001 nadat die sanctie of maatregel voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden.
3.4
Het oordeel van het Hof dat op de relevante peildata geen sprake was van een verplichting waaraan een waarde in het economisch verkeer kan worden toegekend, is derhalve juist, evenals zijn oordeel dat een inschatting van de kans dat op vordering van het Openbaar Ministerie een betalingsverplichting zal ontstaan, niet aan de orde is.
3.5
Het middel faalt.

4.Proceskosten

De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer J. Wortel als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 2 december 2022.