ECLI:NL:HR:2022:1707
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling vermogenssanctie en rendementsgrondslag in Box 3 bij conservatoir beslag
Belanghebbende was in geschil met de Belastingdienst over de berekening van het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen (Box 3) voor de jaren 2014 tot en met 2019. Hierbij speelde de vraag of bij de rendementsgrondslag rekening mocht worden gehouden met een conservatoir verhaalsbeslag op in Zwitserland gehouden banktegoeden, dat verband hield met een mogelijke vermogenssanctie of ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had geoordeeld dat op de relevante peildata geen sprake was van een verplichting die een waarde in het economisch verkeer vertegenwoordigde, en dat de Inspecteur daarom terecht geen rekening hield met een schuld in verband met het beslag. Belanghebbende stelde in cassatie dat reeds door het begaan van de strafbare gedraging een verplichting tot betaling van een vermogenssanctie ontstaat, verwijzend naar een arrest uit 1952.
De Hoge Raad overwoog dat het arrest uit 1952 betrekking had op nog niet vaststaande geldstraffen en dat voor de toepassing van de Wet IB 2001 een vermogenssanctie of maatregel tot ontneming pas als schuld kan worden meegenomen wanneer deze voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden. Het oordeel van het Hof dat op de peildata geen verplichting met economische waarde bestond, werd bevestigd. Het middel faalde en het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard.
De Hoge Raad veroordeelde belanghebbende niet in de proceskosten en sprak het arrest uit op 2 december 2022.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd.