Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
Het vonnis is onherroepelijk.
3.Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof
4.Beslissing
22 november 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag waarin de verdachte werd veroordeeld voor mishandeling met zwaar lichamelijk letsel. De benadeelde partij had in het strafproces een vordering tot schadevergoeding ingesteld die het hof gedeeltelijk toewijst en waarop het een schadevergoedingsmaatregel oplegt. De verdachte betwistte de ontvankelijkheid van deze vordering omdat over dezelfde schade reeds een onherroepelijke civiele uitspraak was gedaan, waarin de vordering was afgewezen.
De civiele procedure betrof een vordering van de vader (benadeelde partij) tegen zijn zoon (verdachte) wegens onrechtmatige daad en schadevergoeding. De kantonrechter wees deze vordering af omdat de vader niet was verschenen op de mondelinge behandeling, waardoor de vordering onvoldoende onderbouwd was. Dit vonnis werd onherroepelijk.
De Hoge Raad overweegt dat aan onherroepelijke uitspraken van zowel straf- als civiele rechters gezag van gewijsde toekomt voor zover daarin vorderingen van de benadeelde partij (gedeeltelijk) zijn toe- of afgewezen. Dit gezag van gewijsde wordt niet ambtshalve toegepast, maar moet door een partij worden ingeroepen. Omdat het hof ten onrechte de benadeelde partij ontvankelijk heeft verklaard ondanks het gezag van gewijsde van de civiele uitspraak, vernietigt de Hoge Raad het hofarrest voor zover het de vordering en schadevergoedingsmaatregel betreft en verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk.
De Hoge Raad stelt tevens vast dat de redelijke termijn voor de cassatieprocedure is overschreden, maar ziet geen aanleiding voor een andere rechtsgevolg omdat geen straf of maatregel is opgelegd. De zaak wordt door de Hoge Raad zelf afgedaan.
Uitkomst: De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering en de schadevergoedingsmaatregel wordt vernietigd.