ECLI:NL:HR:2022:1721

Hoge Raad

Datum uitspraak
29 november 2022
Publicatiedatum
21 november 2022
Zaaknummer
20/04351
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 36e lid 8 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt schatting wederrechtelijk verkregen voordeel en behandelt overschrijding redelijke termijn in ontnemingszaak

Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had het voordeel geschat op €73.000 en een betalingsverplichting opgelegd aan de betrokkene. Een centraal punt in het cassatieberoep was of het door de betrokkene aan het slachtoffer betaalde bedrag van €15.000 als kosten in mindering gebracht had moeten worden.

De Hoge Raad beoordeelde de aangevoerde klachten, maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofvonnis konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Hoewel dit cassatiemiddel gegrond werd verklaard, leidde dit niet tot een andere uitkomst in deze ontnemingszaak.

De overschrijding van de redelijke termijn wordt in samenhang met een aanhangige strafzaak beoordeeld, waar mogelijk compensatie zal worden overwogen. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de uitspraak van het hof. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 29 november 2022.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de betalingsverplichting van circa €73.000 voor wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/04351 P
Datum29 november 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 17 december 2020, nummer 22-005074-18, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft C.W. Noorduyn, advocaat te ’s-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal B.F. Keulen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. Tot cassatie behoeft dit echter niet te leiden. Ook in de strafzaak die met deze ontnemingszaak samenhangt en die in cassatie aanhangig is onder nr. 20/04350, is de redelijke termijn in de cassatiefase overschreden. In de strafzaak zal worden beoordeeld of deze overschrijding tot compensatie moet leiden. Gelet daarop volstaat de Hoge Raad in deze ontnemingszaak met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
29 november 2022.