Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
4.Beslissing
29 november 2022.
Hoge Raad
Deze zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Den Haag inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Het hof had het voordeel geschat op €73.000 en een betalingsverplichting opgelegd aan de betrokkene. Een centraal punt in het cassatieberoep was of het door de betrokkene aan het slachtoffer betaalde bedrag van €15.000 als kosten in mindering gebracht had moeten worden.
De Hoge Raad beoordeelde de aangevoerde klachten, maar oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofvonnis konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten. Tevens werd vastgesteld dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden doordat stukken te laat door het hof waren ingezonden. Hoewel dit cassatiemiddel gegrond werd verklaard, leidde dit niet tot een andere uitkomst in deze ontnemingszaak.
De overschrijding van de redelijke termijn wordt in samenhang met een aanhangige strafzaak beoordeeld, waar mogelijk compensatie zal worden overwogen. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de uitspraak van het hof. Het arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Strafkamer op 29 november 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de betalingsverplichting van circa €73.000 voor wederrechtelijk verkregen voordeel.