ECLI:NL:HR:2022:1748
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt uitspraak over naheffingsaanslagen omzetbelasting en heffingsrente
Belanghebbende, een B.V., was in geschil met de Staatssecretaris van Financiën over naheffingsaanslagen omzetbelasting en bijbehorende heffings- en belastingrente over de jaren 2011 en 2012-2014. Na een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant en het Gerechtshof 's-Hertogenbosch, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad heeft de ingediende klachten beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. Gezien het ontbreken van vragen die relevant zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, is een nadere motivering achterwege gebleven.
Belanghebbende had tevens een verzoek ingediend tot vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatieprocedure. De Hoge Raad constateerde een overschrijding van minder dan zes maanden en kende daarom een vergoeding van € 500 toe.
Verder werd de Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Justitie en Veiligheid, veroordeeld tot betaling van het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende voor het cassatieberoep. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en op 25 november 2022 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en belanghebbende ontvangt een vergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn.