Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste, het tweede en het derde cassatiemiddel
3.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel
4.Beslissing
22 februari 2022.
Hoge Raad
Deze zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte veroordeeld voor doodslag en medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het gerechtshof Den Haag had de verdachte een gevangenisstraf van dertien jaar en zes maanden opgelegd. De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen voor, waaronder klachten over bewijs en de toewijzing van immateriële schade aan de benadeelde partij.
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten over bewijs en de schadevergoeding niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. Wel werd geoordeeld dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro was overschreden, mede doordat de stukken te laat door het hof waren ingezonden en de uitspraak meer dan zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep werd gedaan, terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het hofarrest uitsluitend voor wat betreft de strafduur en verminderde de opgelegde gevangenisstraf met twee maanden tot dertien jaar en vier maanden. Het cassatieberoep werd voor het overige verworpen, waarmee het hofarrest in stand bleef.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van dertien jaar en zes maanden naar dertien jaar en vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.