2.1In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [de koper] heeft bij koopovereenkomst van 26 november 2016 van [verweerders] [het zeilcharterschip] gekocht voor € 245.000,--. Het schip is een in 1910 gebouwde koftjalk.
(ii) De overeenkomst bevat onder meer de volgende bepalingen:
“Artikel 5
De feitelijke levering van het verkochte aan koper zal geschieden in de staat waarin het zich bij het tot stand komen van deze overeenkomst bevindt (…).
Koper wordt voor de levering in de gelegenheid gesteld om het schip droog te zetten voor keuring van het onderwaterschip, kosten van droogzetten, de schoonmaak, de expertise, en de keuringskosten zijn voor rekening van Koper.
Kosten van eventueel door deze expert voorgeschreven herstellingen van of aan het onderwaterschip zijn voor rekening en risico van Verkoper (…).
Artikel 6
(…) Koper is voornemens het verkochte te gebruiken als zeegaand zeilcharterschip.
Aan Koper kenbare gebreken die daaraan in de weg kunnen staan, komen voor zijn risico. (…)
Koper heeft het recht het verkochte voor de feitelijke levering in- en uitwendig te inspecteren. Het verkochte zal worden overgedragen met alle daarbij behorende rechten en aanspraken, zichtbare en onzichtbare gebreken (…).
Artikel 11
Afgezien van het hiervoor bepaalde, staat Verkoper er voor in aan Koper met betrekking tot het verkochte die informatie te hebben gegeven die naar geldende verkeersopvattingen door hem ter kennis van de Koper dient te worden gebracht.
Koper aanvaardt dat de resultaten van het onderzoek naar die feiten en omstandigheden die naar geldende verkeersopvattingen tot zijn onderzoeksgebied behoren, voor zijn risico komen.”
(iii) Op 17 maart 2017 hebben [verweerders] [het zeilcharterschip] bij notariële akte geleverd.
(iv) Op 2 april 2017 heeft [de koper] aan [verweerders] bericht dat ca. 6 m2 scheepshuid in het vlak van het schip dusdanig slecht was dat deze vervangen moest worden. In de brief heeft [de koper] [verweerders] daarvoor in gebreke gesteld, hen gesommeerd om het gebrek op eigen kosten te laten herstellen en, voor het geval zij aan de sommatie geen gehoor zouden geven, aanspraak gemaakt op vergoeding van de herstelkosten.
(v) Uit facturen van 6 en 13 april 2017 blijkt dat scheepswerf Hoekman in opdracht van [de koper] reparaties aan [het zeilcharterschip] heeft verricht voor € 11.264,55 respectievelijk € 3.000.--. [verweerders] hebben aangeboden € 10.000,-- bij te dragen in de kosten.
(vi) [de koper] heeft van april tot oktober 2017 met het schip gevaren.
(vii) In een e-mail van 13 januari 2018 heeft [de kapitein], die van april 2016 tot oktober 2016 in opdracht van [verweerders] als kapitein [het zeilcharterschip] heeft gevaren, het volgende verklaard:
“(…)
4. Eind juli 2016 werd gaandeweg duidelijk dat er water het schip binnendrong. Tijdens een zeilreis met enige slagzij over stuurboord kwam, in de hut achter de kombuis, boven de vloer water te staan. Met de aanwezige waterzuiger zijn toen enkele tientallen emmers uit het vlak verwijdert. Het bleek dat bij stilliggend schip de lekkage minimaal was maar zodra er gezeild werd kwam er een aanzienlijke hoeveelheid (tussen de 20 tot 40 emmers) water naar binnen. Ik heb de eigenaar op de hoogte gesteld en voorgesteld om het schip droog te zetten om de oorzaak te achterhalen en het lek te repareren. De eigenaar heeft mij toen verzocht niet naar een werf te gaan omdat de geboekte vaartochten tijdens Sail Rostock financieel niet konden worden gemist. Gezien de hoeveelheid binnendringend water en de goede mogelijkheid om het water te verwijderen heb ik hiermee ingestemd om tot begin oktober tot einde vaarseizoen met deze lekkage door te varen. Wel heb ik de eigenaar gewaarschuwd dat indien het noodzakelijk word ik niet zou aarzelen het schip op een bank droog te zetten. Hij kon daar mee akkoord gaan.
5. De rest van het seizoen heb ik met deze lekkage doorgevaren omdat enerzijds bij stilliggend schip er weinig water binnenkwam en er tijdens het zeilen er voldoende middelen waren om het water weg te pompen.
6. Wel heb ik tijdens de vaartochten steeds rekening houden met deze lekkage en de zeilrouters zo gepland dat ik steeds in de nabijheid was van land. Daarna heb ik tweemaal besloten om gezien het weer niet uit te varen om zo niet onnodig risico te lopen.
(…)”
(viii) Op 17 januari 2018 heeft de advocaat van [de koper] aan [verweerders] per brief gemeld dat er, naast de gebreken aan het vlak van het schip, tijdens het vaarseizoen nog andere gebreken zijn gebleken.
(ix) [de koper] heeft registerexpert [K] opdracht gegeven [het zeilcharterschip] te inspecteren. Op 16 juni 2018 heeft [K] gerapporteerd dat sprake is van sterke roestvorming. Het rapport vermeldt daarover onder meer:
“dit gebrek (sterke roestvorming) is al geruime tijd aanwezig geweest. Het betreft een langzaam werkend proces dat zijn oorsprong vele tientallen jaren geleden heeft in kunnen zetten bij gebrek aan deugdelijk en regelmatig onderhoud in combinatie met (zee)water op het vlak
dit roestproces moet al gedurende vele jaren bekend zijn geweest. De ruimte bij het washok was voorzien van een pvc afvoerleiding met een ontstoppingsdop. Deze pvc leiding moet enkele jaren geleden zijn aangebracht en bij het plaatsen moet deze ernstige roestvorming direct zijn opgevallen
De roestvorming van spanten en zaathouten begint bij het machinekamer voorschot tot aan het eerste waterdichte schot in de salon/eet/zitgedeelte. De complete beschieting zal hier moeten worden verwijderd (….). Er vanuit gaande dat het staalwerk tussen de beide waterdichte schotten compleet moeten worden vervangen, (…) taxeren wij deze herstelkosten op een bedrag exclusief 21 % BTW van € 85.000,--.”
(x) Bij brief van 18 juli 2018 heeft de advocaat van [de koper] het rapport van [K] toegezonden aan de advocaat van [verweerders] en medegedeeld dat [de koper] gebruik maakt van zijn recht om de koopovereenkomst te ontbinden.
(xi) In opdracht van [de koper] heeft Expertisebureau [B] op 4 januari 2019 een rapport uitgebracht, waarin wordt geconcludeerd dat sprake is van “ernstige corrosie van de scheepshuid – het vlak –, spanten en klinknagels tussen de waterdichte Machinekamer schot en het voorste waterdichte schot”. Volgens [B] is sprake geweest van jarenlange inwerking van (zout) water, dat bij de helling tegen én op de vloerplanken heeft gestaan en dus de eigenaar niet kan zijn ontgaan.
(xii) In een aanvullend expertiserapport van 5 april 2019 stelt [B] dat hij bij de inspectie op 12 december 2018 niet heeft kunnen zien waar de lekkage vandaan kwam, dat [de koper] vervolgens zelf de badkamer heeft gesloopt en dat de lekkage veroorzaakt werd doordat het douchewater via de gecorrodeerde wand van de douche in de bilge terecht kwam. Er was een Trespa plaat op de stalen opvangbak voor het douchewater geplakt, wat er volgens [B] op wijst dat [verweerders] moeten hebben geweten van de lekkage.