Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
16 december 2022.
Hoge Raad
Betrokkene was in voorlopige hechtenis toen de rechtbank een machtiging tot onvrijwillige opname en verblijf verleende op grond van de Wet zorg en dwang (Wzd). De rechtbank bepaalde dat de machtiging zou ingaan vanaf het moment van opname in een Wzd-instelling, ook als dit na vier weken na dagtekening van de machtiging zou zijn.
De Hoge Raad oordeelt dat op grond van art. 39 lid 7 Wzd Pro de machtiging niet meer ten uitvoer kan worden gelegd wanneer meer dan vier weken na dagtekening zijn verstreken. Dit geldt ook voor machtigingen onder opschortende voorwaarden zoals schorsing van voorlopige hechtenis. De rechtbank heeft hiermee in strijd met de wet gehandeld.
De Hoge Raad vernietigt daarom het deel van de beschikking waarin is bepaald dat de machtiging ingaat bij opname na de termijn van vier weken. De zaak wordt terugverwezen zodat de machtiging binnen de wettelijke termijn moet worden uitgevoerd of opnieuw moet worden aangevraagd.
Deze uitspraak bevestigt de strikte termijn waarbinnen een machtiging tot onvrijwillige opname moet worden uitgevoerd om te voorkomen dat omstandigheden wijzigen en de vrijheidsbeneming onrechtmatig wordt.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking voor zover de machtiging ingaat na vier weken na dagtekening.