Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
20 december 2022.
Hoge Raad
In deze cassatieprocedure stond de ontnemingsvordering wegens wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt centraal. De betrokkene werd geconfronteerd met een betalingsverplichting van €4.725 opgelegd door het gerechtshof Den Haag.
De advocaat van de betrokkene stelde in hoger beroep dat er sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg, hetgeen een vermindering van de betalingsverplichting rechtvaardigt. Het hof erkende wel een termijnoverschrijding in hoger beroep en compenseerde dit met een korting van €275, maar besloot niet gemotiveerd over de overschrijding in eerste aanleg.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof had moeten beslissen over het beroep op overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg. Omdat deze beslissing ontbrak, werd het cassatiemiddel gegrond verklaard. De Hoge Raad vernietigde het hofarrest voor zover het de betalingsverplichting betreft en stelde zelf vast dat de betalingsverplichting verminderd moet worden tot €4.500. Het beroep werd voor het overige verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de betalingsverplichting van €4.725 naar €4.500 wegens niet-beslissen op overschrijding redelijke termijn in eerste aanleg.