Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
15 februari 2022.
Hoge Raad
De betrokkene stelde cassatieberoep in tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. Ondanks het instellen van het beroep werden geen cassatiemiddelen ingediend binnen de wettelijk voorgeschreven termijn. De advocaat-generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
De Hoge Raad toetste de ontvankelijkheid van het beroep en constateerde dat de betrokkene niet had voldaan aan de verplichting om tijdig schriftelijke cassatiemiddelen in te dienen. Dit is een vereiste op grond van artikel 437 lid 2 in Pro samenhang met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering. Door het ontbreken van deze middelen kon de Hoge Raad het beroep niet inhoudelijk behandelen.
Daarom verklaarde de Hoge Raad het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Het arrest werd uitgesproken op 15 februari 2022 door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada. De zaak betreft een samenhang met andere zaken onder nummers 20/01131 en 20/01134.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de betrokkene wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.