ECLI:NL:HR:2022:1928

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 december 2022
Publicatiedatum
22 december 2022
Zaaknummer
21/04872
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 5:54 BWArt. 225 lid 1 onder c RvArt. 3:13 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing cassatieberoep inzake bouwstop en afbraakverplichting bij overbouw appartementencomplex

In deze zaak stond de vraag centraal of de eigenaar van een appartementencomplex dat een overbouw had gerealiseerd in een brandgang, gehouden was tot afbraak van de overbouw en of een bouwstop mocht worden opgelegd. De rechtbank Noord-Nederland had eerder een vonnis gewezen waarin de eigenaar werd veroordeeld tot afbraak met een dwangsom. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigde dit oordeel en wees een vordering tot schorsing van de afbraak af.

De eigenaar van het appartementencomplex stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft de klachten van de eigenaar beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader toe te lichten, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt de eigenaar in de kosten van het cassatiegeding. Hiermee blijft het arrest van het hof ongewijzigd van kracht, waarbij de eigenaar gehouden blijft aan de afbraakverplichting en de bouwstop. De uitspraak bevestigt de toepassing van artikel 5:54 BW Pro en artikel 81 lid 1 RO Pro in het kader van bouwrechtelijke geschillen over overbouw en rechtsopvolging.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eigenaar blijft veroordeeld tot afbraak met dwangsom.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/04872
Datum23 december 2022
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaten: J.W.H. van Wijk en J.W. de Jong,
tegen
[verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
hierna: [verweerder],
advocaat: J. den Hoed.

1.Procesverloop in cassatie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. de vonnissen in de zaak C/18/194575/HA ZA 19-204 van de rechtbank Noord-Nederland van 18 december 2019 en 29 april 2020;
b. het arrest in de zaak 200.281.675/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 augustus 2021.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
[verweerder] heeft een verweerschrift tot verwerping ingediend.
De zaak is voor [verweerder] schriftelijk toegelicht.
De conclusie van de advocaat-generaal S.D. Lindenbergh strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaten van partijen hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 421,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren C.H. Sieburgh, als voorzitter, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock, A.E.B. ter Heide en G.C. Makkink, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
23 december 2022.