Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
15 februari 2022.
Hoge Raad
De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 31 maart 2020. Echter zijn er geen cassatiemiddelen ingediend door de advocaat van de verdachte binnen de voorgeschreven termijn. De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De Hoge Raad toetst vervolgens de ontvankelijkheid van het cassatieberoep en constateert dat de wettelijke vereisten niet zijn nageleefd. Artikel 437 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat cassatiemiddelen tijdig moeten worden ingediend, wat in deze zaak niet is gebeurd.
Daarom verklaart de Hoge Raad het beroep van de verdachte niet-ontvankelijk en neemt het niet in behandeling. De uitspraak is gedaan door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 15 februari 2022.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ingediende cassatiemiddelen.