ECLI:NL:HR:2022:1931

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 december 2022
Publicatiedatum
22 december 2022
Zaaknummer
21/04364
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieRichtlijn 2000/78/EGWet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen verboden leeftijdsdiscriminatie bij vrijwillige vertrekregeling

In deze zaak heeft eiser cassatie ingesteld tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam dat een geschil betrof over een vrijwillige vertrekregeling bij Martinair. Eiser stelde dat de regeling een verboden onderscheid op grond van leeftijd maakte omdat de vergoeding alleen werd toegekend onder de voorwaarde dat de individuele beëindigingsregeling niet als Regeling Vervroegd Uittreden (RVU) werd aangemerkt.

De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad heeft geen motivering gegeven omdat het oordeel niet van belang is voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Het cassatieberoep is verworpen en eiser is veroordeeld in de kosten van het geding, die nihil zijn vastgesteld aan de zijde van Martinair. Hiermee bevestigt de Hoge Raad de rechtmatigheid van de vrijwillige vertrekregeling en het ontbreken van verboden leeftijdsdiscriminatie in deze context.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer21/04364
Datum23 december 2022
ARREST
In de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
hierna: [eiser],
advocaat: J. de Jong van Lier,
tegen
MARTINAIR HOLLAND N.V.,
gevestigd te Haarlemmermeer,
VERWEERSTER in cassatie,
hierna: Martinair,
niet verschenen.

1.Procesverloop in cassatie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
a. het vonnis in de zaak 6779142 \ CV EXPL 18-2461 van de rechtbank Noord-Holland van 3 juli 2019;
b. het arrest in de zaak 200.274.750/01 van het gerechtshof Amsterdam van 20 juli 2021.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld.
Tegen Martinair is verstek verleend.
De zaak is voor [eiser] toegelicht door zijn advocaat.
De conclusie van de advocaat-generaal B.J. Drijber strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad:
- verwerpt het beroep;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Martinair begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vicepresident M.V. Polak als voorzitter en de raadsheren T.H. Tanja-van den Broek, H.M. Wattendorff, F.R. Salomons en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.J.P. Lock op
23 december 2022.