ECLI:NL:HR:2022:21

Hoge Raad

Datum uitspraak
18 januari 2022
Publicatiedatum
13 januari 2022
Zaaknummer
20/03423
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 2 SvArt. 266 SrArt. 267 SrArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtsgeldigheid dagvaarding en verstek bij vervroegde aanvangstijd terechtzitting

De verdachte was in hoger beroep gedagvaard voor een terechtzitting op 15 juli 2020 om 11.40 uur. Bij brief van 25 mei 2020, verzonden per gewone post aan het adres in de Basisregistratie Personen, werd de verdachte geïnformeerd dat het tijdstip was vervroegd naar 11.30 uur. De verdachte verscheen niet op de terechtzitting, waarna verstek tegen hem werd verleend en hij niet-ontvankelijk werd verklaard in zijn hoger beroep.

De Hoge Raad oordeelt dat de wet niet voorschrijft op welke wijze een wijziging van het tijdstip van de terechtzitting moet worden bekendgemaakt, maar dat voorkomen moet worden dat de verdachte door de wijziging in zijn verdedigingsrecht wordt benadeeld. Dit wordt in ieder geval gewaarborgd door betekening van de wijziging of een nieuwe dagvaarding. Hoewel in deze zaak de kennisgeving niet op die wijze heeft plaatsgevonden, is het oordeel van het hof dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht, niet onbegrijpelijk.

De Hoge Raad neemt daarbij mee dat de vervroeging slechts 10 minuten bedroeg, dat de brief tijdig was verzonden, dat de griffier na aanvang van de terechtzitting contact opnam met de raadsman voordat het onderzoek werd gesloten en dat niet is gesteld dat de verdachte op het oorspronkelijke tijdstip aanwezig was. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: Hoge Raad verwerpt cassatieberoep en bevestigt verstekvonnis wegens niet verschijnen na tijdstipwijziging per gewone post.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03423
Datum18 januari 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 juli 2020, nummer 21-003968-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben M.G. Cantarella en A.T.C. Castermans, beiden advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
De raadslieden van de verdachte hebben daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel richt zich tegen het oordeel van het hof dat de niet-verschenen verdachte rechtsgeldig was gedagvaard en verstek tegen hem kon worden verleend. Het klaagt onder meer dat het aanvangstijdstip van het onderzoek ter terechtzitting is vervroegd en dat dit aan de verdachte alleen bekend is gemaakt via een per gewone post verzonden mededeling aan het adres waarop de verdachte stond ingeschreven in de Basisregistratie Personen (hierna: BRP).
2.2
De voor de beoordeling van het cassatiemiddel van belang zijnde stukken zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.3. Deze stukken houden - kort samengevat – onder meer het volgende in:
- de dagvaarding in hoger beroep houdt in als datum en tijdstip van de terechtzitting: 15 juli 2020, 11.40 uur. Bij brief van 25 mei 2020, die per gewone post is verzonden naar het adres waarop de verdachte in de BRP stond ingeschreven, is namens de advocaat-generaal van het ressortsparket aan de verdachte bericht dat dat tijdstip is vervroegd naar 11.30 uur;
- de verdachte is niet verschenen op de terechtzitting in hoger beroep en tegen hem is verstek verleend, waarna het hof de verdachte op grond van artikel 416 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn hoger beroep.
2.3.1
De wet staat er niet aan in de weg dat een verandering van tijdstip op de voor de terechtzitting bepaalde datum wordt vastgesteld, maar de wet schrijft niet voor op welke wijze de wijziging van dat tijdstip aan de verdachte bekend moet worden gemaakt. Voorkomen moet worden dat de verdachte door zo een wijziging in zijn verdedigingsrecht – in het bijzonder het recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht – wordt benadeeld. Aan dat vereiste wordt in ieder geval voldaan door de betekening van de aanzegging van dat gewijzigde tijdstip of door betekening van een nieuwe dagvaarding of oproeping onder intrekking van de eerdere dagvaarding of oproeping.
2.3.2
Hoewel in het onderhavige geval de kennisgeving van een ander tijdstip van de terechtzitting niet op de onder 2.3.1 genoemde wijze heeft plaatsgevonden, is het kennelijke oordeel van het hof dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht en dat tegen hem verstek kon worden verleend, niet onbegrijpelijk. De Hoge Raad neemt daarbij in het bijzonder in aanmerking dat het aanvangstijdstip van de terechtzitting met niet méér dan tien minuten is vervroegd, dat aan de verdachte al op 25 mei 2020 per gewone brief de bekendmaking van het gewijzigde tijdstip is verzonden, dat blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep na aanvang van die terechtzitting eerst nog door de griffier telefonisch contact met de raadsman is opgenomen alvorens het onderzoek ter terechtzitting is gesloten en dat in cassatie niet is gesteld dat de verdachte op de oorspronkelijke aanvangstijd in het gerechtsgebouw van het hof aanwezig was.
2.3.3
Voor zover het cassatiemiddel daarover klaagt, faalt het.
2.4
De Hoge Raad heeft ook de verder in het cassatiemiddel aangevoerde klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma, E.S.G.N.A.I. van de Griend, M.J. Borgers en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
18 januari 2022.