Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep dat is ingesteld door de klager
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep dat is ingesteld door de klaagster
4.Beslissing
22 februari 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond het beslag op twee auto’s centraal, dat was gelegd in het kader van een strafvordering. Na het overlijden van een betrokkene werden de auto’s door het Openbaar Ministerie verkocht en de opbrengst overgemaakt aan de belastingdienst vanwege een openstaande vordering. De rechtbank oordeelde dat klagers geen belang meer hadden bij het ingediende beklag tegen het beslag.
Klager stelde cassatieberoep in, maar diende geen schriftuur in, waardoor het beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. Klaagster stelde eveneens cassatieberoep in, maar de Hoge Raad oordeelde dat zij geen belang had bij het beroep. Dit oordeel was gebaseerd op de uitleg van artikel 19 Invorderingswet Pro 1990, waarbij de houder van penningen verplicht is om belastingaanslagen te voldoen uit gelden die hij onder zich heeft, waardoor het voorwerp van het beslag niet wordt teruggegeven maar overgedragen.
De Hoge Raad bevestigde dat deze situatie niet valt onder de in artikel 134 lid 2 Sv Pro genoemde gevallen van teruggave, waardoor het beslag juridisch is geëindigd. De rechtbank had derhalve geen onjuiste rechtsopvatting, en de cassatieberoepen werden niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klagers wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een schriftuur en het ontbreken van belang bij klaagster.