Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
22 februari 2022.
Hoge Raad
De aanvrager is door de politierechter veroordeeld voor diefstal met geweld gepleegd door twee of meer verenigde personen, met een taakstraf van tweehonderd uren. Hij verzocht om herziening van dit vonnis, waarbij hij twee hoofdargumenten aanvoerde.
Ten eerste stelde hij dat de bewezenverklaring in hoger beroep tegen zijn medeverdachte niet overeenkomt met zijn eigen vonnis. De medeverdachte werd door het hof vrijgesproken van het geweldselement, maar veroordeeld voor diefstal. De Hoge Raad oordeelde dat dit verschil niet leidt tot een herzieningsgrond omdat het vonnis van de aanvrager en het arrest van de medeverdachte niet onverenigbaar zijn.
Ten tweede voerde de aanvrager aan dat in zijn zaak alleen screenshots van camerabeelden waren getoond, terwijl in de zaak van de medeverdachte de daadwerkelijke camerabeelden werden vertoond, wat volgens hem tot een vrijspraak van het geweldselement had moeten leiden. De Hoge Raad vond deze stelling te speculatief en onvoldoende onderbouwd om een ernstig vermoeden te wekken dat het vonnis onjuist is.
Daarom verklaarde de Hoge Raad de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond en wees deze af.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens het ontbreken van een ernstig vermoeden dat het vonnis onjuist is.