ECLI:NL:HR:2022:285

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 februari 2022
Publicatiedatum
18 februari 2022
Zaaknummer
21/05050
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 311 lid 1 onder 4° SrArt. 312 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek in strafzaak diefstal met geweld wegens onvoldoende grond

De aanvrager is door de politierechter veroordeeld voor diefstal met geweld gepleegd door twee of meer verenigde personen, met een taakstraf van tweehonderd uren. Hij verzocht om herziening van dit vonnis, waarbij hij twee hoofdargumenten aanvoerde.

Ten eerste stelde hij dat de bewezenverklaring in hoger beroep tegen zijn medeverdachte niet overeenkomt met zijn eigen vonnis. De medeverdachte werd door het hof vrijgesproken van het geweldselement, maar veroordeeld voor diefstal. De Hoge Raad oordeelde dat dit verschil niet leidt tot een herzieningsgrond omdat het vonnis van de aanvrager en het arrest van de medeverdachte niet onverenigbaar zijn.

Ten tweede voerde de aanvrager aan dat in zijn zaak alleen screenshots van camerabeelden waren getoond, terwijl in de zaak van de medeverdachte de daadwerkelijke camerabeelden werden vertoond, wat volgens hem tot een vrijspraak van het geweldselement had moeten leiden. De Hoge Raad vond deze stelling te speculatief en onvoldoende onderbouwd om een ernstig vermoeden te wekken dat het vonnis onjuist is.

Daarom verklaarde de Hoge Raad de aanvraag tot herziening kennelijk ongegrond en wees deze af.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens het ontbreken van een ernstig vermoeden dat het vonnis onjuist is.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/05050 H
Datum22 februari 2022
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Rotterdam van 4 augustus 2020, nummer 10-046147-20, ingediend door K. Renssen, advocaat te 's-Gravenhage,
namens
[aanvrager] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De politierechter heeft de aanvrager veroordeeld voor diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers van het misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, tot een taakstraf van tweehonderd uren, subsidiair honderd dagen vervangende hechtenis.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1
De aanvraag berust op twee gronden.
3.2.1
In de eerste plaats wordt aangevoerd dat de bewezenverklaring in hoger beroep in de strafzaak van de medeverdachte niet is overeen te brengen met het vonnis van de politierechter in de zaak van de aanvrager.
3.2.2
Uit de stukken blijkt dat de aanvrager geen hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. De medeverdachte [betrokkene 1] , die voor hetzelfde feit is vervolgd en die wel hoger beroep heeft ingesteld, is door het gerechtshof Den Haag bij arrest van 4 november 2021 vrijgesproken van het tenlastegelegde geweld zoals bedoeld in artikel 312 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), en is veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen in de zin van artikel 311 lid Pro 1, onder 4°, Sr. Het hof heeft daartoe het volgende overwogen:
“Partiële vrijspraak
Uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep heeft het hof onvoldoende de overtuiging bekomen dat de verdachte een gekwalificeerde diefstal in de zin van artikel 312 van Pro het Wetboek van Strafrecht heeft gepleegd, nu het geweld dat jegens de aangevers is gebruikt naar het oordeel van het hof in een te ver verwijderd verband van de diefstal in de Jumbo staat. De verdachte dient derhalve van dit onderdeel van de tenlastelegging te worden vrijgesproken.”
3.2.3
Volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan herziening plaatsvinden op grond van de omstandigheid dat bij verschillende arresten of vonnissen die onherroepelijk zijn geworden of bij verstek zijn gewezen, bewezenverklaringen zijn uitgesproken die niet overeen zijn te brengen.
3.2.4
Dat de aanvrager in relatie tot het wegnemen van voorwerpen in de Jumbo is veroordeeld voor – kort gezegd – diefstal in vereniging met geweld en de medeverdachte in relatie tot hetzelfde voorval is veroordeeld voor – kort gezegd –diefstal in vereniging levert niet het in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder a, Sv bedoelde geval op dat bij verschillende uitspraken bewezenverklaringen zijn uitgesproken die niet zijn overeen te brengen.
3.3.1
In de tweede plaats wordt aangevoerd dat in de zaak van de medeverdachte ter terechtzitting van het hof camerabeelden van het geweldsincident zijn getoond, terwijl in de strafzaak van de aanvrager de politierechter wel kennis heeft genomen van screenshots van camerabeelden maar er geen camerabeelden op de terechtzitting zijn getoond. De aanvrager voert aan dat als de politierechter in zijn zaak kennis had genomen van de vertoonde camerabeelden, hij partieel was vrijgesproken “van het geweldselement”.
3.3.2
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.3.3
Het aangevoerde wekt niet een ernstig vermoeden als bedoeld in artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv, alleen al omdat de enkele stelling van de aanvrager dat als de politierechter in zijn zaak niet alleen kennis had genomen van de screenshots maar ook de camerabeelden ter terechtzitting had doen afspelen, hij was gekomen tot vrijspraak van de tenlastegelegde geweldshandelingen en daarmee tot toepassing van – dat wil zeggen: tot kwalificatie onder – een minder zware strafbepaling, te speculatief is om tot herziening te leiden.
3.4
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.

4.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
22 februari 2022.