ECLI:NL:HR:2022:337

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2022
Publicatiedatum
9 maart 2022
Zaaknummer
20/02885
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijhedenArt. 302 lid 1 SrArt. 41 lid 2 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt oordeel hof over noodweerexces bij mishandeling met stalen pijp

De zaak betreft een mishandeling waarbij verdachte een ander met een stalen pijp tegen het gezicht sloeg na een ruzie tussen die ander en de vader van verdachte. Het hof Den Haag oordeelde dat het handelen van verdachte niet geboden was als noodzakelijke verdediging van zijn vader, waarmee noodweerexces werd aangenomen. Verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit oordeel.

De Hoge Raad beoordeelde de klachten van verdachte en oordeelde dat deze niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De Hoge Raad hoefde geen nadere motivering te geven omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Wel stelde de Hoge Raad vast dat de redelijke termijn zoals bedoeld in het EVRM was overschreden vanwege late verzending van stukken door het hof.

De Hoge Raad beperkte zich tot het oordeel dat de redelijke termijn was overschreden en verbond hieraan geen ander rechtsgevolg. De strafoplegging werd door de advocaat-generaal als te hoog beoordeeld, maar de Hoge Raad verwerpt het beroep verder. Het arrest is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting op 15 maart 2022.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hofarrest blijft in stand; de redelijke termijn is overschreden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02885
Datum15 maart 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 11 september 2020, nummer 22-002799-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1999,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de strafoplegging en tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Het cassatiemiddel is gegrond. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van acht maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, zal de Hoge Raad volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 maart 2022.