Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
18 januari 2022.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde een aanvraag tot herziening van een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin de aanvrager was veroordeeld voor medeplegen van afdreiging en poging tot afdreiging tot een gevangenisstraf van achttien maanden.
De aanvraag stelde dat het hof een lagere straf had moeten opleggen indien het de straffen van de medeverdachten als uitgangspunt had genomen en geen rekening had gehouden met vermeende feitelijke onjuistheden in het arrest. De Hoge Raad oordeelde echter dat onder een minder zware strafbepaling in de zin van artikel 457 lid 1 onder Pro c Sv moet worden verstaan een strafbepaling die een lagere straf bedreigt, en dat het opleggen van een andere sanctie of het achterwege laten daarvan niet hieronder valt.
De aanvraag bevatte geen nieuw, met stukken onderbouwd gegeven dat een ernstig vermoeden wekte dat het onderzoek tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkverklaring of toepassing van een minder zware strafbepaling had kunnen leiden. Daarom werd de aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen.
De uitspraak werd gedaan door de Strafkamer van de Hoge Raad op 18 januari 2022, waarbij vice-president J. de Hullu als voorzitter en raadsheren M.J. Borgers en C. Caminada het arrest wezen.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af wegens het ontbreken van een nieuw gegeven dat tot een minder zware straf zou leiden.