ECLI:NL:HR:2022:369

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2022
Publicatiedatum
15 maart 2022
Zaaknummer
20/02120
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 552a Wetboek van StrafvorderingOpiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping beroep cassatie inzake beslag op stichting bij verdenking Opiumwet

De zaak betreft een cassatieberoep van een klager tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant inzake beslag op een geldbedrag van een stichting waarvan de klager enige bestuurder is. Het beslag werd gelegd in het kader van een verdenking van overtreding van de Opiumwet.

De kernvraag was of de klager als enige bestuurder van de stichting als rechthebbende van het aan de stichting toebehorende geld kan worden aangemerkt. De Hoge Raad verwijst naar artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie en bevestigt dat het cassatieberoep geen aanleiding geeft tot vernietiging van de bestreden beschikking.

De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om inhoudelijk op de vragen in te gaan, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht. Het beroep werd derhalve verworpen, waarmee de beschikking van de rechtbank in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het beslag op het geldbedrag van de stichting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/02120 B
Datum15 maart 2022
BESCHIKKING
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 7 juli 2020, nummer RK 18/1261, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend
door
[klager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966,
hierna: de klager.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft J.J.J. van Rijsbergen, advocaat te Breda, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 maart 2022.