ECLI:NL:HR:2022:370

Hoge Raad

Datum uitspraak
15 maart 2022
Publicatiedatum
15 maart 2022
Zaaknummer
20/03864
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 242 SrArt. 312 lid 1 SrArt. 240b Sr
Verwijzingen
7 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak poging tot verkrachting, diefstal met geweld en kinderporno

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor poging tot verkrachting, diefstal met geweld en vervaardigen en bezitten van kinderporno. De verdachte voerde diverse bewijsklachten aan, onder meer over het daderschap en de pleegplaats van de feiten.

Daarnaast werd geklaagd over de kwalificatie van het vervaardigen en bezitten van kinderporno en de vraag of sprake was van seksuele gedragingen in de zin van artikel 240b Sr. Ook werd een procedurele klacht ingebracht over de vordering van de benadeelde partij, waarbij het hof de vordering ten onrechte zou hebben toegewezen vanwege het ontbreken van benodigde stukken in het dossier.

De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld maar geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad motiveert dit oordeel niet uitvoerig omdat het niet noodzakelijk is voor de rechtsontwikkeling of eenheid van het recht. Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling van verdachte voor poging tot verkrachting, diefstal met geweld en vervaardigen en bezitten van kinderporno.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/03864
Datum15 maart 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 16 november 2020, nummer 23-001466-20, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft L.E.G. van der Hut, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.C. Vegter heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Namens de benadeelde partij [benadeelde] heeft M.M. de Boer, advocaat te Amsterdam, een verweerschrift ingediend.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
15 maart 2022.