Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het vierde cassatiemiddel van de verdachte
4.Beslissing
15 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag in een strafzaak wegens poging doodslag. Verdachte voerde onder meer putatief noodweerexces aan en stelde dat de strafmotivering onvoldoende was. Tevens klaagde verdachte over een overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
De Hoge Raad beoordeelde dat de overschrijding van de inzendtermijn door het hof werd gecompenseerd doordat de Hoge Raad binnen zestien maanden na het instellen van het cassatieberoep de zaak afhandelde. Hierdoor was geen sprake van een schending van artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de overige klachten van verdachte en de benadeelde partij niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De Hoge Raad motiveerde dit niet uitvoerig omdat beantwoording van de vragen niet noodzakelijk was voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het beroep in cassatie werd derhalve verworpen en het arrest van het gerechtshof bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor poging doodslag blijft in stand.