Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
29 maart 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van het openbaar ministerie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam waarin het OM niet-ontvankelijk werd verklaard in de vervolging van de verdachte wegens rijden onder invloed op 6 oktober 2018.
Het hof oordeelde dat de vervolging onverenigbaar was met de beginselen van een goede procesorde, omdat de verdachte reeds succesvol een onderzoek naar rijgeschiktheid bij het CBR had afgerond en het rijbewijs op basis van de recidiveregeling van artikel 123b WVW 1994 bij een veroordeling van rechtswege zou vervallen. Het hof vond de vervolging daardoor onevenredig en willekeurig.
De Hoge Raad stelt dat het oordeel van het hof ontoereikend is gemotiveerd en herhaalt dat het OM in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijk kan worden verklaard, namelijk wanneer geen redelijk handelend lid van het OM kan oordelen dat met vervolging een strafrechtelijk beschermd belang wordt gediend. De Hoge Raad benadrukt dat het bestuursrechtelijk onderzoek en de EMA-cursus niet automatisch vervolgingsbeletselen vormen en dat het belang van normhandhaving door de strafrechter zwaar weegt.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe berechting en afdoening.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting.