Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
22 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 oktober 2020, waarin de verdachte werd veroordeeld voor het plegen van ontucht als ambtenaar met een persoon die aan zijn waakzaamheid was toevertrouwd, zoals bedoeld in artikel 249 lid 2 sub Pro 1 van het Wetboek van Strafrecht.
De verdachte stelde meerdere cassatiemiddelen aan de orde, waaronder bezwaren tegen de interpretatie van de term "aan zijn waakzaamheid toevertrouwd". De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep. De raadsman van de verdachte reageerde hier schriftelijk op.
De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld, mede gelet op een gelijktijdig gewezen arrest (ECLI:NL:HR:2022:413), en oordeelde dat de klachten niet leiden tot vernietiging van het hofarrest. De Hoge Raad zag geen noodzaak om nadere motivering te geven vanwege artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarmee heeft de Hoge Raad het cassatieberoep verworpen en het arrest van het gerechtshof in stand gelaten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de verdachte wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof blijft in stand.