Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de overige cassatiemiddelen
4.Beslissing
29 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een mishandeling op 10 april 2018 te Amsterdam waarbij de verdachte het slachtoffer meerdere malen met een fietspomp heeft geslagen. De verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij handelde uit noodweer, omdat hij voorafgaand aan het incident door het slachtoffer was aangevallen.
Het hof oordeelde dat de door de verdediging gestelde eerdere aanranding niet aannemelijk was geworden. Het hof motiveerde dat de camerabeelden, het medisch dossier en andere stukken geen steun boden voor de door de verdachte en zijn raadsman geschetste gang van zaken. Het hof verwierp daarom het beroep op noodweer.
De Hoge Raad bevestigt dat bij een beroep op noodweer de rechter de feitelijke grondslag moet onderzoeken en beoordelen of deze voldoende aannemelijk is. De Hoge Raad verduidelijkt dat de maatstaf voor aannemelijkheid niet vereist dat de feiten buiten redelijke twijfel vaststaan, maar dat de feitelijke toedracht voldoende aannemelijk moet zijn. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast en het oordeel toereikend heeft gemotiveerd.
Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof Amsterdam van 8 september 2020 in stand blijft.
Uitkomst: Het beroep op noodweer wordt verworpen en de bewezenverklaring van mishandeling met een fietspomp blijft in stand.