Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
3.Beslissing
19 april 2022.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond een 76-jarige verdachte terecht voor meermalen gepleegde ontucht met zijn 8-jarige kleindochter, in strijd met de artikelen 244 en 247 van het Wetboek van Strafrecht. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had de verdachte veroordeeld en bepaalde onder meer de aanvang van de wettelijke rente voor immateriële schadevergoeding.
De verdachte stelde in cassatie onder meer vragen over het bewijsminimum, de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster en de onderbouwing van het hof over de rentegrondslag. De benadeelde partij voerde eveneens cassatiemiddelen aan.
De Hoge Raad heeft de klachten van beide partijen beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van het arrest van het hof. De Hoge Raad vond het niet nodig om de vragen te beantwoorden, omdat deze niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, zoals bedoeld in artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Daarmee werd het cassatieberoep verworpen en bleef het arrest van het hof ongewijzigd. Dit arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer op 19 april 2022.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte voor ontucht met zijn minderjarige kleindochter.