Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
29 maart 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 februari 2021, waarin een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel werd toegewezen. De betrokkene werd verdacht van oplichting door exploitatie van 0900-nummers, waarbij het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel schatte op € 984.186,69. Vanwege overschrijding van de redelijke termijn legde het hof een betalingsverplichting op van de helft van dit bedrag, namelijk € 492.093,34.
De betrokkene stelde in cassatie onder meer dat het hof het kostenverweer onvoldoende had gemotiveerd en dat het hof had moeten beslissen op het draagkrachtverweer. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet konden leiden tot vernietiging van het arrest van het hof en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.
Het arrest werd gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en C. Caminada. Het beroep werd verworpen, waarmee het vonnis van het hof in stand bleef.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de betalingsverplichting tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel blijft gehandhaafd.