Uitspraak
1.De beschikking van de rechter-commissaris
2.Het cassatieberoep
3.De overwegingen van de rechter-commissaris
4.Beoordeling van het cassatiemiddel
5.Beslissing
5 april 2022.
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie in het belang der wet behandeld tegen een beschikking van de rechter-commissaris die de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaarde in een vordering tot machtiging voor het verkrijgen van historische verkeersgegevens. De vordering betrof gegevens over een gebruiker van een communicatiedienst met betrekking tot een periode van een half uur.
De rechter-commissaris oordeelde dat het vorderen van deze gegevens slechts een geringe inbreuk op de privacy van de gebruiker opleverde, zodat geen voorafgaande machtiging vereist was. De advocaat-generaal stelde echter dat dit oordeel onjuist was en dat de rechter-commissaris inhoudelijk op de vordering had moeten beslissen.
De Hoge Raad verwijst naar een samenhangende zaak en het arrest van het Hof van Justitie van de EU waarin is bepaald dat bij ernstige inmenging in het recht op privacy voorafgaand toezicht door een onafhankelijke instantie vereist is. De Hoge Raad stelt dat als de officier van justitie meer dan alleen identificerende gegevens wil verkrijgen, hij een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris moet vorderen.
De Hoge Raad vernietigt de beschikking van de rechter-commissaris in het belang der wet en benadrukt dat de rechter-commissaris inhoudelijk op de vordering moet beslissen, waarbij wordt getoetst aan de wettelijke eisen en de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking en stelt dat rechterlijk toezicht vereist is bij het vorderen van meer dan alleen identificerende verkeers- en locatiegegevens.