Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:499

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2022
Publicatiedatum
4 april 2022
Zaaknummer
21/00479
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 6 lid 1 EVRMArt. 140a SrArt. 134a SrArt. 6 Wet internationale misdrijven
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt vervolging Syriëganger ondanks eerdere Turkse veroordeling

De zaak betreft een verdachte die in Nederland werd vervolgd voor deelname aan een terroristische organisatie, het voorbereiden en bevorderen van terroristische misdrijven, en het schenden van het gemeenschappelijk artikel 3 van Pro de Geneefse Conventies in het kader van een niet-internationaal gewapend conflict. De verdachte was eerder in Turkije veroordeeld en gedetineerd voor een vergelijkbaar feit.

In cassatie werd onder meer de vraag gesteld of het hof terecht had geoordeeld dat de verdachte in Nederland opnieuw kon worden vervolgd zonder dat het ne bis in idem-beginsel werd geschonden. Daarnaast werd betwist of het hof had moeten onderzoeken of een eventuele voorlopige invrijheidstelling in Turkije de verdachte in een nadeligere positie zou brengen.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof zijn oordeel voldoende begrijpelijk had gemotiveerd en dat het ne bis in idem-beginsel niet werd geschonden. Tevens werd geoordeeld dat de overschrijding van de inzendtermijn van stukken in cassatie niet leidde tot een schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, omdat de zaak binnen veertien maanden werd afgedaan.

Het cassatieberoep werd verworpen en het arrest van het gerechtshof Den Haag bleef in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling van de verdachte ondanks eerdere Turkse veroordeling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/00479
Datum5 april 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 januari 2021, nummer 22-003926-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan – wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie – niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
3.3
Het cassatiemiddel faalt dus.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 april 2022.