Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:500

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 april 2022
Publicatiedatum
4 april 2022
Zaaknummer
21/00480
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRMArt. 140a SrArt. 134a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over ne bis in idem en redelijke termijn bij Syriëganger veroordeeld in Turkije

De zaak betreft een Syriëganger die in Turkije is veroordeeld en gedetineerd voor deelname aan een terroristische organisatie en voorbereiden van terroristische misdrijven. In Nederland werd hij opnieuw vervolgd voor soortgelijke feiten. De verdachte stelde in cassatie dat het ne bis in idem-beginsel hem beschermt tegen dubbele vervolging.

De Hoge Raad beoordeelde of het hof terecht had geoordeeld dat de Nederlandse vervolging ondanks de Turkse veroordeling mogelijk was. Het hof had dit voldoende begrijpelijk gemotiveerd en de Hoge Raad zag geen reden tot vernietiging. Daarnaast werd de klacht over overschrijding van de redelijke termijn in cassatie verworpen, omdat de zaak binnen veertien maanden werd afgedaan.

De Hoge Raad hoefde niet in te gaan op de vraag of het hof had moeten onderzoeken of een eventueel verzoek tot wederzijdse uitlevering in Turkije tot een nadelige positie voor de verdachte zou leiden. Het beroep werd uiteindelijk verworpen en het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren op 5 april 2022.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; vervolging in Nederland ondanks eerdere Turkse veroordeling is geoorloofd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/00480
Datum5 april 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 januari 2021, nummer 22-003932-19, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft Y. Özdemir, advocaat te 's-Gravenhage, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
2Beoordeling van het eerste cassatiemiddel
De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.
3.2
Nu de Hoge Raad de zaak binnen veertien maanden na het instellen van het cassatieberoep afdoet, waardoor de overschrijding van de inzendtermijn in voldoende mate wordt gecompenseerd, kan – wat betreft de totale duur van de behandeling in cassatie – niet worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro.
3.3
Het cassatiemiddel faalt dus.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en M. Kuijer, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
5 april 2022.