Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:528

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2022
Publicatiedatum
7 april 2022
Zaaknummer
21/01465
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.A OpiumwetArt. 2.C OpiumwetArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatieberoep in zaak medeplegen invoer en bezit cocaïne

In deze zaak stond de verdachte terecht voor medeplegen van de (verlengde) invoer van cocaïne en medeplegen van het aanwezig hebben van cocaïne, zoals omschreven in de Opiumwet. Het gerechtshof Amsterdam had de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 43 maanden. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen dit arrest. Namens de verdachte diende advocaat J. Kuijper een cassatiemiddel in. De advocaat-generaal concludeerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad heeft de klachten van de verdachte beoordeeld en geoordeeld dat deze onvoldoende zijn om het arrest van het hof te vernietigen. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van het hof nader te toetsen, omdat de klachten geen vragen opriepen die van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, conform artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie.

Hiermee bevestigde de Hoge Raad het oordeel van het gerechtshof en verwierp het cassatieberoep. De strafoplegging van 43 maanden gevangenisstraf blijft daarmee ongewijzigd. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren tijdens een openbare terechtzitting op 12 april 2022.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de gevangenisstraf van 43 maanden voor medeplegen van invoer en bezit van cocaïne.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01465
Datum12 april 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2021, nummer 23-001379-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1959,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 april 2022.