Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:530

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2022
Publicatiedatum
7 april 2022
Zaaknummer
21/01531
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatieArt. 2.A OpiumwetArt. 2.C OpiumwetArt. 6.2 EVRMArt. 14 IVBPR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt cassatie in zaak medeplegen invoer cocaïne

De zaak betreft het cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor medeplegen van de (verlengde) invoer van circa 1.800 kilo cocaïne vanuit Colombia via België naar Nederland, alsmede medeplegen van het bezit van een hoeveelheid cocaïne. Het hof Amsterdam had de verdachte vrijgesproken van de invoer van de volledige hoeveelheid, maar hield bij de strafoplegging toch rekening met die beoogde invoer.

De verdachte stelde dat het hof hiermee handelde in strijd met het recht op een eerlijk proces en de onschuldpresumptie, zoals neergelegd in onder meer artikel 6.2 EVRM, artikel 14 IVBPR Pro en artikel 48 Handvest Pro. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het arrest konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering nader toe te lichten, mede vanwege het belang van de rechtsontwikkeling. Het cassatieberoep werd derhalve verworpen en het arrest van het hof bleef in stand.

De uitspraak werd gedaan door de vice-president van den Brink als voorzitter, met de raadsheren Caminada en Kooijmans, op 12 april 2022.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de straf van 65 maanden gevangenisstraf wordt bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01531
Datum12 april 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2021, nummer 23-001374-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 april 2022.