ECLI:NL:HR:2022:531

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2022
Publicatiedatum
7 april 2022
Zaaknummer
21/01542
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.A OpiumwetArt. 2.C OpiumwetArt. 6.2 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 48 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplegen invoer en bezit van cocaïne en strafmotivering

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2021, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van de (verlengde) invoer van circa 1.800 kilo cocaïne vanuit Colombia via België naar Nederland en medeplegen van het bezit van een hoeveelheid cocaïne. De verdachte was vrijgesproken van de invoer van de volledige hoeveelheid cocaïne, maar veroordeeld voor medeplegen van het bezit en de invoer van een kleinere hoeveelheid.

De verdediging klaagde onder meer over de strafmotivering en stelde dat het hof in strijd met het recht op een eerlijk proces en de onschuldpresumptie had gehandeld door bij de strafoplegging rekening te houden met de beoogde invoer van de volledige hoeveelheid cocaïne. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten niet tot vernietiging van het hofarrest konden leiden en dat het niet nodig was om nadere motivering te geven. Het beroep werd verworpen, waarmee het hofarrest en de opgelegde straf van 43 maanden gevangenisstraf in stand bleven.

Het arrest is gewezen door de vice-president van den Brink als voorzitter en de raadsheren Caminada en Kooijmans, en uitgesproken op 12 april 2022.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt straf van 43 maanden gevangenisstraf voor medeplegen invoer en bezit van cocaïne.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01542
Datum12 april 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2021, nummer 23-001376-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1989,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen, S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van de cassatiemiddelen

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 april 2022.