Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2022:532

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2022
Publicatiedatum
7 april 2022
Zaaknummer
21/01585
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.A OpiumwetArt. 2.C OpiumwetArt. 6.2 EVRMArt. 14 IVBPRArt. 48 Handvest
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatie over medeplegen invoer en bezit van cocaïne en toepassing onschuldpresumptie

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2021, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van de invoer van cocaïne en medeplegen van bezit van cocaïne.

Het hof had geoordeeld dat de verdachte medepleger was van de invoer van circa 1.800 kilo cocaïne vanuit Colombia via België naar Nederland, hoewel de verdachte voor de invoer van die hoeveelheid cocaïne was vrijgesproken. De strafoplegging hield echter wel rekening met de beoogde invoer van deze hoeveelheid.

De verdediging stelde dat het hof hiermee de onschuldpresumptie had geschonden en dat het oordeel in strijd was met internationale mensenrechtenverdragen zoals het EVRM en het IVBPR. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet tot vernietiging van het arrest kan leiden en dat het niet nodig is om de klachten nader te motiveren, mede gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het beroep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam bevestigd met een gevangenisstraf van 65 maanden.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/01585
Datum12 april 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2021, nummer 23-001373-18, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt, P. van Dongen en S. van den Akker, allen advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 april 2022.