Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
12 april 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 maart 2021, waarin de verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van de invoer van cocaïne en medeplegen van bezit van cocaïne.
Het hof had geoordeeld dat de verdachte medepleger was van de invoer van circa 1.800 kilo cocaïne vanuit Colombia via België naar Nederland, hoewel de verdachte voor de invoer van die hoeveelheid cocaïne was vrijgesproken. De strafoplegging hield echter wel rekening met de beoogde invoer van deze hoeveelheid.
De verdediging stelde dat het hof hiermee de onschuldpresumptie had geschonden en dat het oordeel in strijd was met internationale mensenrechtenverdragen zoals het EVRM en het IVBPR. De advocaat-generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep niet tot vernietiging van het arrest kan leiden en dat het niet nodig is om de klachten nader te motiveren, mede gelet op artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie. Het beroep wordt verworpen, waarmee het arrest van het hof in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam bevestigd met een gevangenisstraf van 65 maanden.