In deze zaak betrof het een beklag tegen beslag op vier voertuigen, waarvan drie in beslag genomen waren onder derden en één onder de klager, eigenaar van een autoverhuurbedrijf. De rechtbank Limburg verklaarde het klaagschrift ongegrond en oordeelde dat het niet hoogst onwaarschijnlijk was dat de strafrechter de verbeurdverklaring van de voertuigen zou bevelen. Dit oordeel baseerde de rechtbank op de vaststelling dat de voertuigen gedurende de onderzoeksperiode door derden werden gebruikt voor drugshandelactiviteiten en dat deze voertuigen daarom aan die derden toebehoorden in de zin van artikel 33a Sr.
De Hoge Raad stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat het gebruik van de voertuigen door derden, op grond van huurovereenkomsten met de klager, betekent dat de voertuigen aan die derden toebehoren. De wet vereist een bredere toebehorenseis dan alleen eigendom, maar het enkel gebruik op basis van huur brengt niet mee dat de voertuigen aan die derden toebehoren. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van de rechtbank niet zonder meer begrijpelijk is en vernietigt de beschikking.
De zaak wordt terugverwezen naar de rechtbank Limburg voor een nieuwe behandeling en beslissing. De Hoge Raad benadrukt dat de verbeurdverklaring alleen mogelijk is indien het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter dit zal bevelen, en dat de toebehorenseis zorgvuldig moet worden toegepast, waarbij het gebruik op basis van huur geen toebehoren impliceert.