Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van de cassatiemiddelen
3.Beslissing
12 april 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
De zaak betreft een verzoek tot uitlevering van een persoon aan de Republiek Rwanda in verband met aan de genocide van 1994 gerelateerde feiten. De opgeëiste persoon stelde cassatieberoep in tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag die de uitlevering toelaatbaar achtte.
De klachten van de opgeëiste persoon betroffen onder meer de vermeende ontbrekende wettelijke of verdragelijke grondslag voor uitlevering, de onvoldoende stukken, de afwijzing van nader onderzoek naar de identiteit, en de afwijzing van een aanhoudingsverzoek. Tevens werd aangevoerd dat uitlevering zou leiden tot een flagrante schending van artikel 6.1 EVRM, omdat in Rwanda geen effectief rechtsmiddel beschikbaar zou zijn.
De Hoge Raad heeft deze klachten beoordeeld en geoordeeld dat zij niet leiden tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Hoge Raad achtte het niet noodzakelijk om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.
Het beroep in cassatie is derhalve verworpen en de uitlevering kan doorgaan zoals door de rechtbank bepaald.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de uitlevering aan Rwanda.