Uitspraak
1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
2.De aanvraag tot herziening
3.Beoordeling van de aanvraag
4.Beslissing
12 april 2022.
Hoge Raad
De aanvrager is door de rechtbank Den Haag veroordeeld voor meerdere feiten waaronder gekwalificeerde diefstal, medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving, overtreding van de Wet wapens en munitie en opzetheling, met een gevangenisstraf van 54 maanden.
Het verzoek tot herziening is gebaseerd op het argument dat de inwerkingtreding van de Wet straffen en bescherming op 1 juli 2021 nadelige gevolgen heeft voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf, en dat bij kennis hiervan mogelijk een lagere straf zou zijn opgelegd.
De Hoge Raad oordeelt dat onder toepassing van een minder zware strafbepaling in de zin van art. 457 lid 1 sub c Sv Pro alleen wordt verstaan een strafbepaling die een lagere straf bedreigt, en niet het opleggen van een andere sanctie of het achterwege laten daarvan. De aanvraag miskent dit en is daarom kennelijk ongegrond.
De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt daarmee het eerdere vonnis van de rechtbank.
Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onjuiste toepassing van het begrip minder zware strafbepaling.