ECLI:NL:HR:2022:566

Hoge Raad

Datum uitspraak
12 april 2022
Publicatiedatum
8 april 2022
Zaaknummer
21/05083
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311.1 SrArt. 282.1 SrArt. 26.1 WWMArt. 416 SrArt. 457.1.c Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek wegens onjuiste toepassing minder zware strafbepaling

De aanvrager is door de rechtbank Den Haag veroordeeld voor meerdere feiten waaronder gekwalificeerde diefstal, medeplegen van opzettelijke vrijheidsberoving, overtreding van de Wet wapens en munitie en opzetheling, met een gevangenisstraf van 54 maanden.

Het verzoek tot herziening is gebaseerd op het argument dat de inwerkingtreding van de Wet straffen en bescherming op 1 juli 2021 nadelige gevolgen heeft voor de tenuitvoerlegging van de opgelegde straf, en dat bij kennis hiervan mogelijk een lagere straf zou zijn opgelegd.

De Hoge Raad oordeelt dat onder toepassing van een minder zware strafbepaling in de zin van art. 457 lid 1 sub c Sv Pro alleen wordt verstaan een strafbepaling die een lagere straf bedreigt, en niet het opleggen van een andere sanctie of het achterwege laten daarvan. De aanvraag miskent dit en is daarom kennelijk ongegrond.

De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af en bevestigt daarmee het eerdere vonnis van de rechtbank.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het verzoek tot herziening af wegens onjuiste toepassing van het begrip minder zware strafbepaling.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer21/05083 H
Datum12 april 2022
ARREST
op een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de rechtbank Den Haag van 20 november 2020, nummer 09-842182-17, ingediend door R.S.E. Bruinen, advocaat te Amsterdam,
namens
[aanvrager],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
hierna: de aanvrager.

1.De uitspraak waarvan herziening is gevraagd

De rechtbank heeft de aanvrager veroordeeld voor, kort gezegd, (feit 1) gekwalificeerde diefstal, (feit 2) poging tot gekwalificeerde diefstal, (feit 3) medeplegen van opzettelijk iemand van de vrijheid beroven en beroofd houden, meermalen gepleegd, (feit 4) medeplegen van overtreding van artikel 26 lid 1 van Pro de Wet wapens en munitie, meermalen gepleegd, en (feit 5) medeplegen van opzetheling, tot een gevangenisstraf van 54 maanden.

2.De aanvraag tot herziening

De aanvraag tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

3.Beoordeling van de aanvraag

3.1
Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, volgens artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) alleen dienen een met stukken onderbouwd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot een vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot een ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot de niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot de toepassing van een minder zware strafbepaling.
3.2.1
In de aanvraag wordt aangevoerd dat de aanvrager onevenredig groot nadeel ondervindt van veranderingen die de inwerkingtreding van de Wet straffen en bescherming (Stb. 2020, 224) op 1 juli 2021 heeft gebracht in de (wijze van) tenuitvoerlegging van de aan de aanvrager voordien opgelegde gevangenisstraf. Gesteld wordt dat de aanvrager mogelijk tot een lagere gevangenisstraf zou zijn veroordeeld indien de rechtbank bekend was geweest met deze gevolgen.
3.2.2
In de aanvraag wordt miskend dat onder "toepassing van een minder zware strafbepaling” in de zin van artikel 457 lid Pro 1, aanhef en onder c, Sv wordt gedoeld op toepassing van een strafbepaling die een minder zware straf bedreigt. De oplegging door de rechter van een andere (minder zware) sanctie of het achterwege laten van de oplegging van een sanctie valt daar niet onder.
3.3
De aanvraag is, gelet op wat hiervoor is overwogen, kennelijk ongegrond.

4.Beslissing

De Hoge Raad wijst de aanvraag tot herziening af.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren A.E.M. Röttgering en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
12 april 2022.