Uitspraak
wonende te [woonplaats],
gevestigd te Amsterdam,
2.Uitgangspunten en feiten
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
22 april 2022.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak huurde eiser sinds 2006 een zelfstandige woonruimte van Bouwinvest. Na klachten over lekkage betrad de beheerder namens Bouwinvest in 2017 de woning, sloot de watertoevoer af en verving het slot. De huurovereenkomst werd bij verstek ontbonden en eiser werd veroordeeld tot ontruiming binnen veertien dagen na betekening van het vonnis. Het vonnis werd op 4 juni 2018 betekend en op 21 juni 2018 tenuitvoer gelegd, waarbij eiser niet aanwezig was en zijn inboedel werd vernietigd.
Eiser stelde verzet in op 1 augustus 2018, nadat de verzettermijn was verstreken, en vorderde in reconventie onder meer voortzetting van de huurovereenkomst en schadevergoeding wegens onrechtmatig handelen van Bouwinvest. De kantonrechter verklaarde het verzet niet-ontvankelijk en wees de meeste reconventionele vorderingen af, behalve een terugbetaling van huurpenningen over een deel van juni 2018. Het hof bekrachtigde dit oordeel.
De Hoge Raad oordeelde dat het verzet te laat was ingesteld en dus niet-ontvankelijk moest worden verklaard. Daarnaast stelde de Hoge Raad dat niet-ontvankelijkheid in het verzet niet automatisch betekent dat de reconventionele vorderingen niet beoordeeld kunnen worden, tenzij eiser expliciet had aangegeven deze beoordeling te wensen. Nu dat niet was gebeurd, vernietigde de Hoge Raad het vonnis voor zover de reconventionele vorderingen waren afgewezen en verklaarde eiser ook daarin niet-ontvankelijk. De eerdere veroordeling tot terugbetaling van huurpenningen bleef ongewijzigd.
De Hoge Raad veroordeelde Bouwinvest tot betaling van de kosten van het cassatiegeding.
Uitkomst: Eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet en reconventionele vorderingen wegens termijnoverschrijding en procedurele gronden.