Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel
3.Beoordeling van de cassatiemiddelen voor het overige
4.Beslissing
10 mei 2022.
Hoge Raad
Op 24 juni 2015 werd verdachte op Schiphol betrapt op het vervoeren van €40.735 aan contant geld zonder aangifte te doen, terwijl zij de Europese Unie verliet. Het hof Amsterdam verklaarde dit feit bewezen en veroordeelde haar op grond van de Algemene douanewet en Verordening (EG) 1889/2005.
Verdachte stelde in cassatie dat de aangifteplicht pas ontstaat nadat de buitengrens van de EU is overschreden. De Hoge Raad verwees naar de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie, waarin is bepaald dat de aangifteplicht ruim moet worden uitgelegd en dat de aangifte moet plaatsvinden voorafgaand aan het daadwerkelijke verlaten van het grondgebied van de EU.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat de aangifteplicht ontstaat bij het moment dat de natuurlijke persoon het grondgebied van de EU verlaat, niet pas na overschrijding van de buitengrens. Ook andere klachten van verdachte werden ongegrond verklaard. Het arrest werd uitgesproken op 10 mei 2022 door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens het niet doen van aangifte van contant geld bij het verlaten van de EU blijft in stand.