ECLI:NL:HR:2022:619

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2022
Publicatiedatum
21 april 2022
Zaaknummer
20/03259
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 94a SvArt. 118a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling cassatieberoep inzake strafrechtelijk beslag en hypotheekrecht bij geldlening voor onroerend goed

In deze zaak stond centraal de vraag omtrent het recht van hypotheek en het conservatoir derdenbeslag op een geldlening ten behoeve van de aankoop van onroerend goed. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van eiser verworpen en daarmee het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden bevestigd.

Het geschil betrof onder meer de doorhaling van het recht van hypotheek en de aflossing van de lening, alsmede de toepassing van aanvullende voorwaarden voor vervangende zekerheidsstelling zoals bedoeld in artikel 118a Sv. De Hoge Raad oordeelde dat de klachten tegen het hofarrest niet tot vernietiging konden leiden en dat het niet nodig was om de motivering van dit oordeel te geven, omdat de vragen niet van belang waren voor de eenheid of ontwikkeling van het recht.

Het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep van de Staat werd niet behandeld omdat het principale beroep werd verworpen. De Hoge Raad veroordeelde eiser tot betaling van de kosten van het cassatiegeding, met een specificatie van de verschotten en het salaris van de advocaat van de Staat.

Het arrest werd uitgesproken door de president en vier raadsheren, waarbij de uitspraak openbaar werd gedaan door raadsheer Wattendorff.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
CIVIELE KAMER
Nummer20/03259
Datum22 april 2022
ARREST
In de zaak van
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] , Filipijnen,
EISER tot cassatie, verweerder in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: [eiser] ,
advocaat: T. van Malssen,
tegen
1. [Holding] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [verweerder 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
hierna: Holding c.s.,
niet verschenen,
3. DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelende te Den Haag,
VERWEERDER in cassatie, eiser in het voorwaardelijk incidentele cassatieberoep,
hierna: de Staat,
advocaat: G.C. Nieuwland.
1. Procesverloop
Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar:
het vonnis in de zaak C/16/500374/KL ZA 20-87 van de rechtbank Midden-Nederland van 25 mei 2020;
het arrest in de zaak 200.280.046/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 september 2020, verbeterd bij arrest van 20 oktober 2020.
[eiser] heeft tegen het arrest van het hof beroep in cassatie ingesteld. De Staat heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Tegen Holding c.s. is verstek verleend.
Partijen hebben over en weer een verweerschrift tot verwerping van het beroep ingediend.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door J.B.B. Heinen.
De conclusie van de Advocaat-Generaal G. Snijders strekt tot verwerping van het principaal cassatieberoep.
De advocaat van [eiser] heeft schriftelijk op die conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel in het principale beroep

De Hoge Raad heeft de klachten over het arrest van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van dat arrest. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).
Het incidentele beroep, dat is ingesteld onder de voorwaarde dat het middel in het principale beroep tot vernietiging van het arrest van het hof leidt, behoeft gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen behandeling.

3.Beslissing

De Hoge Raad:
  • verwerpt het principale beroep;
  • veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van Holding c.s. begroot op nihil en aan de zijde van de Staat begroot op € 902,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris, vermeerderd met de wettelijke rente over deze kosten indien [eiser] deze niet binnen veertien dagen na heden heeft voldaan.
Dit arrest is gewezen door de president G. de Groot als voorzitter en de raadsheren C.H. Sieburgh, H.M. Wattendorff, F.J.P. Lock en A.E.B. ter Heide, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer H.M. Wattendorff op
22 april 2022.