ECLI:NL:HR:2022:661
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt navorderingsaanslag erfbelasting na vaststelling vaderschap
Belanghebbende stelde in cassatie beroep in tegen een navorderingsaanslag erfbelasting die was opgelegd naar aanleiding van het overlijden van erflater in 2008. Na het overlijden werd in een procedure het vaderschap van erflater over belanghebbende vastgesteld met terugwerkende kracht vanaf de geboorte, waardoor belanghebbende erfgenaam werd en een geldvordering uit de nalatenschap verkreeg.
De navorderingsaanslag was gebaseerd op een verkrijging in 2008, het moment van overlijden. Het hof oordeelde dat de waarde van de verkrijging moest worden bepaald op het tijdstip van overlijden, conform de Successiewet. Belanghebbende betoogde dat de verkrijging civielrechtelijk pas in 2014 tot stand kwam en de uitbetaling pas in 2016, zodat de aanslag onjuist was.
De Hoge Raad oordeelde dat belanghebbende pas na de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap als erfgenaam kon worden aangemerkt. Daarom kon de verkrijging niet plaatsvinden vóór het verkrijgen van kracht van gewijsde van die beschikking. De navorderingsaanslag was derhalve onrechtmatig geheven over een verkrijging in 2008 en moest worden vernietigd.
De Hoge Raad vernietigde het vonnis van het hof, de uitspraak van de rechtbank en de navorderingsaanslag. Tevens werden de Staatssecretaris en de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten en werd belanghebbende schadeloos gesteld voor betaalde griffierechten.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de navorderingsaanslag erfbelasting omdat de verkrijging pas na de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap plaatsvond.