ECLI:NL:HR:2022:663
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen rechtskracht Zwitserse A1-verklaring voor periode vóór Rijnvarendenovereenkomst
Belanghebbende was in 2011 werkzaam op een binnenvaartschip en was in dat jaar in dienst bij een Luxemburgse en later een Zwitserse werkgever. De sociale verzekeringsplicht werd door het hof bepaald aan de hand van het Rijnvarendenverdrag en de Rijnvarendenovereenkomst. Het hof oordeelde dat de Nederlandse sociale zekerheidswetgeving van toepassing was op belanghebbende voor de periode dat hij bij de Zwitserse werkgever werkte.
Het hof stelde dat de Zwitserse A1-verklaring, afgegeven in 2014, geen rechtskracht toekomt voor de periode vóór 1 april 2012, omdat Zwitserland toen nog niet deelnam aan de Rijnvarendenovereenkomst. Belanghebbende voerde aan dat Zwitserland de overeenkomst met terugwerkende kracht toepaste, maar de Hoge Raad verwierp dit.
De Hoge Raad bevestigde dat het Rijnvarendenverdrag geen grondslag biedt voor een A1-verklaring en dat de verklaring van Zwitserland niet bindend is voor Nederland voor de periode vóór toetreding tot de overeenkomst. Het beroep in cassatie werd ongegrond verklaard zonder verdere motivering, en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de Zwitserse A1-verklaring heeft geen rechtskracht voor de periode vóór toetreding tot de Rijnvarendenovereenkomst.