Uitspraak
1.Procesverloop in cassatie
2.Beoordeling van het cassatiemiddel
3.Beslissing
7 juni 2022.
Hoge Raad
De zaak betreft een arrest van de Hoge Raad van 7 juni 2022 over schennis van de eerbaarheid, waarbij de verdachte werd beschuldigd van het maken van seksuele handelingen met zijn hand in zijn broek achter twee 11-jarige meisjes op een openbare plaats.
Het hof had geoordeeld dat het niet noodzakelijk is dat het geslachtsdeel daadwerkelijk zichtbaar is om schennis van de eerbaarheid aan te nemen, omdat ook gedragingen waarbij het lichaam niet zichtbaar is, kwetsend kunnen zijn voor het normaal ontwikkeld schaamtegevoel. De verdachte maakte op een openbare weg herhaaldelijk op en neer gaande bewegingen met zijn hand in zijn broek ter hoogte van zijn geslachtsdeel, terwijl hij de meisjes aankeek.
De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwerpt het cassatieberoep van de verdachte. Ook andere klachten uit het cassatiemiddel leiden niet tot vernietiging van het arrest. Hiermee is definitief vastgesteld dat zichtbaarheid van het geslachtsdeel niet vereist is voor een veroordeling wegens schennis van de eerbaarheid.
De uitspraak benadrukt dat artikel 239 Sr Pro zich richt op ongevraagde en ongewenste seksueel getinte confrontaties die het normaal ontwikkeld schaamtegevoel kwetsen, ook als het geslachtsdeel niet zichtbaar is. De strafrechtelijke bescherming strekt zich dus uit tot gedragingen die seksuele intimidatie in de openbare ruimte vormen, ook zonder zichtbare ontbloting.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat schennis van de eerbaarheid ook kan worden aangenomen zonder zichtbare ontbloting van het geslachtsdeel.