ECLI:NL:HR:2022:697
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Vrijstelling vrije ruimte werkkostenregeling voor werknemer zonder inhoudingsplichtige werkgever
Belanghebbende werkte als rijnvarende op een motortankschip en stond op de loonlijst van een Luxemburgse werkgever die niet inhoudingsplichtig was voor de Nederlandse loonbelasting. De Sociale Verzekeringsbank gaf een A1-verklaring af die Nederland als toepasselijke socialeverzekeringswetgeving aanwijst voor de jaren 2011-2014. Het Hof oordeelde dat belanghebbende sociaal verzekerd was in Nederland, maar stelde dat hij geen aftrek kon toepassen op grond van artikel 3.84, lid 2, Wet IB 2001 omdat geen vergoedingen als eindheffingsbestanddeel in het loon waren opgenomen.
De Hoge Raad verwierp het eerste middel dat het sociaal verzekeringsvraagstuk betrof en ging inhoudelijk in op het tweede middel. Dit middel stelde dat het Hof ten onrechte voor toepassing van de vrije ruimte de voorwaarde stelde dat vergoedingen als eindheffingsbestanddeel in het loon moesten zijn opgenomen, terwijl de werkgever niet inhoudingsplichtig was en dus geen Nederlandse salarisadministratie voerde.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 3.84, lid 2, Wet IB 2001 bedoeld is om werknemers met een niet-inhoudingsplichtige werkgever niet te benadelen en dat de wetgever niet heeft verlangd dat vergoedingen als eindheffingsbestanddeel zijn aangewezen. De werknemer heeft recht op een vrijstelling ter grootte van de vrije ruimte van artikel 31a, lid 2, Wet LB, ongeacht de aanwijzing door de werkgever.
De Hoge Raad vernietigde het oordeel van het Hof voor zover het de aanslagen over 2013 en 2014 betrof en verwees de zaak terug voor herbeoordeling met inachtneming van dit arrest. Tevens werd de Staatssecretaris veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Belanghebbende heeft recht op de vrije ruimte van de werkkostenregeling voor de jaren 2013 en 2014 ondanks een niet-inhoudingsplichtige werkgever.