ECLI:NL:HR:2022:715

Hoge Raad

Datum uitspraak
31 mei 2022
Publicatiedatum
18 mei 2022
Zaaknummer
20/04217
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 lid 1 Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
4 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens tegenstrijdigheid in compensatie redelijke termijn bij ontneming wederrechtelijk verkregen voordeel

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel uit hennepteelt. De betrokkene stelde dat het hof onduidelijkheid had gecreëerd over de compensatie wegens overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg.

Het hof had erkend dat de redelijke termijn was overschreden en verklaard het ontnemingsbedrag met 10% te zullen verminderen, wat neerkomt op €53.817,58. In het dictum van het arrest werd echter slechts een vermindering van €5.000 toegepast, wat tot een innerlijke tegenstrijdigheid leidde.

De Hoge Raad oordeelde dat deze tegenstrijdigheid de uitspraak onbegrijpelijk maakt en dat het hof geen duidelijkheid gaf over de beoogde compensatie. Daarom kon de uitspraak over de betalingsverplichting niet in stand blijven. De Hoge Raad vernietigde dit deel van het arrest en verwees de zaak terug voor hernieuwde berechting, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd voor zover het de betalingsverplichting betreft en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer20/04217 P
Datum31 mei 2022
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 juli 2017, nummer 20-000891-15, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste
van
[betrokkene],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1958,
hierna: de betrokkene.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft H.M.W. Daamen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De raadsman van de betrokkene heeft daarop schriftelijk gereageerd.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie).

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat de uitspraak van het hof innerlijk tegenstrijdig is met betrekking tot de mate waarin het hof het ontnemingsbedrag heeft verminderd als gevolg van de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in de fase van de eerste aanleg.
3.2.1
Het hof heeft met betrekking tot de redelijke termijn in eerste aanleg het volgende overwogen:
“Met de advocaat-generaal en de rechtbank, constateert het hof dat in eerste aanleg het recht op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn - in de zin van artikel 6 EVRM Pro - is geschonden. De aanvang van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn moet worden gesteld op 8 februari 2011, de datum waarop conservatoir beslag is gelegd. De rechtbank heeft vonnis gewezen op 10 maart 2015. Deze periode bedraagt dus meer dan twee jaren, terwijl daarvoor geen bijzondere rechtvaardiging is. Het hof zal vanwege deze schending van de redelijke termijn het te betalen bedrag verminderen met 10 %.”
3.2.2
Het dictum van het bestreden arrest houdt onder meer het volgende in:
“Het hof:
(...)
Stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 538.175,80 (...).
Legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 533.175,80 (...).”
3.3
In aanmerking genomen dat het hof in zijn overweging tot uitdrukking heeft gebracht dat het de overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg zal compenseren door tien procent van het geschatte voordeel (zijnde een bedrag van € 53.817,58) in mindering te brengen op de betalingsverplichting, terwijl het hof volgens het dictum € 5.000 in mindering heeft gebracht, is de uitspraak van het hof in zoverre niet begrijpelijk. Nu de uitspraak geen uitsluitsel geeft over de door het hof beoogde mate van compensatie kan de uitspraak wat betreft de opgelegde betalingsverplichting niet in stand blijven.
3.4
Het cassatiemiddel slaagt.

4.Beoordeling van het derde en het vierde cassatiemiddel

Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van de cassatiemiddelen niet nodig.

5.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel;
- wijst de zaak terug naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en C. Caminada, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
31 mei 2022.