ECLI:NL:HR:2022:718
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt rechtsbescherming bij box 3-heffing en massaalbezwaarprocedure
Belanghebbende was het niet eens met de voor de jaren 2017 en 2018 opgelegde aanslagen inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, met name de box 3-heffing. De bezwaren betroffen zowel individuele klachten als de massaalbezwaarprocedure over de rechtmatigheid van het forfaitaire stelsel in box 3.
Het Gerechtshof Den Haag oordeelde dat de individuele bezwaren geen aanleiding gaven tot vermindering van de aanslagen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verklaart dat het niet onjuist of onvoldoende gemotiveerd is. Daarnaast behandelt de Hoge Raad de massaalbezwaarprocedure, waarin is vastgesteld dat het forfaitaire stelsel in strijd is met artikel 1 EP Pro in samenhang met artikel 14 EVRM Pro.
De Staatssecretaris heeft daarop een collectieve uitspraak gedaan en de bezwaren gegrond verklaard. Artikel 25e, lid 4, AWR verplicht tot ambtshalve vermindering binnen zes maanden, zonder bezwaar- of beroepsmogelijkheid tegen die vermindering zelf. Wel staat bezwaar open tegen afwijzing van een verzoek om verdere ambtshalve vermindering.
De Hoge Raad nuanceert de rechtsregel om proceseconomie te bevorderen en stelt dat de feitenrechter bij het individuele bezwaar de gevolgen van de collectieve uitspraak kan betrekken. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en er worden geen proceskosten toegewezen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en het individuele bezwaar tegen de box 3-heffing afgewezen.